In 1965 heeft het Centraal Bureau voor Genealogie
omtrent de familienaam een onderzoek ingesteld en rapport uitgebracht.
Een en ander naar
aanleiding van de aanwezigheid van een aantal papieren van een zekere Jean
Baptiste Le Petit dit la Roche, die
vroeger Frans militair was en mede naar aanleiding van een merkwaardig verhaal
dat in de Franse tak van de familie de ronde deed over een Generaal Petit, die
in de Napoleontische tijd een heldenrol zou hebben vervuld.
De heer W. de Jong
(oud-collega) uit Leiderdorp, die literatuur verzamelt over de militaire
geschiedenis van Frankrijk, leverde belangwekkende
gegevens over de veldtochten van het bataljon waarbij Jean Baptiste Le Petit
diende. Hij vertaalde tevens de familiepapieren en reconstrueerde de data.
Bovendien bracht bezorgde hij een artikel van Kapitein b.d.. G. Koppert in het
maandblad van de Koninklijke Landmacht van juli 1975 over Napoleons Legerplaats
bij Zeist dat gegevens aan het licht brachten over de wijze waarop de Bataafse
en Franse troepen werden geoefend.
Het schema werd opgesteld met
het oog op het vijftigjarig huwelijksfeest van Caspert Frederik Petit dit de la
Roche en Johanna Gerdina de Vries, dat werd gevierd in restaurant Oud-London
te Zeist.
De oudste Nederlandse
stamvader van de familie, Jean Baptiste Le Petit, werd op 16 november 1765 te
Luc (parochie Gentioux) bij Limoge (Haute Vienne) in Frankrijk geboren.
Op 20 februari 1791 werd deze
metselaar te Nantua, ingelijfd als fuselier bij het 1e bataljon Rhône et Loire, nadat Napoleon
Bonaparte bij decreet van 28 januari 1791 een eerste lichting had bevolen van 100.000
nationale vrijwilligers.
Op 31 maart 1794 werd het 1e
bataljon opgenomen in de 18e Demi-Brigade, die dat jaar veldtochten meemaakte
in het leger van de Moezel.
In 1796 en '97 trok de
brigade mee met het leger van Sambre en Maas en in 1798 in het leger van
Duitsland en Mainz.
In
1799 maakt Jean Baptiste in het leger van Italië en Napels de slag bij Trebia
mee en wel op 16 juni 1799.
In
de jaren 1804 en '05 bevindt hij zich met het 3e bataljon, dat op 5 april 1796 naar de 92e Demi-Brigade was overgegaan en op 24 September 1803 was
omgedoopt tot 92e Regiment, in het
zogenaamde Kamp van Utrecht.
De
slag bij Trebia, gevolgd door het 60 dagen durende beleg van Genua,, dat op 4
juni 1800 eindigde met de overgave van de Fransen aan het
Oostenrijks-Russische leger onder commando van Generaal Ott, heeft een keerpunt
betekend in de militaire loopbaan van Jean Baptiste.
Met
name dat beleg moet heel onaangenaam zijn geweest. De honger was zo enorm, dat de burgerbevolking niet in toom te
houden was en er gras en wortels werden gegeten. Een hele compagnie at scheerling en werd daardoor
vergiftigd. Op 17 april werd de stad
gebombardeerd door Engelse en Napolitaanse schepen.
Bij
de overgave telde Generaal Ott's leger in plaats van de oorspronkelijke 70-000
man nog slechts 40-000 man. Het Franse
leger van Generaal Massena had van de oorspronkelijke 15.320 man een restant
van 8.000 man. De overigen waren gedood of waren in het hospitaal.
Voor
de burgemeester van Nantua is dat beleg aanleiding geweest om zich, op
aanwijzing van een daar wonende broer van Jean Baptiste te wenden tot diens commandant met het
verzoek om Jean Baptiste verlof toe te staan om gedurende drie maanden te
Nantua te verblijven en zijn als gevolg van het beleg van Genua sterk
aangetaste gezondheid te doen
herstellen.
Of
Jean Baptiste dat gevraagde verlof heeft genoten is niet bekend. Wel krijgt hij op 24 September 1801 een verklaring
van de officieren, onder-officieren en soldaten van de 5e compagnie van de 92e
Demi-Brigade dat hij als gevolg van de ontberingen van de oorlog niet in staat
is de vermoeienissen van mars en veldtocht te doorstaan. Zij verklaren
bovendien, dat hij met eer en waardigheid heeft gediend en niet opgehouden
heeft zijn ijver en geneigdheid tot de militaire dienst te tonen.
In
1805 wordt Jean Baptiste door Generaal De Marmont benoemd tot bewaker van de inmiddels opgerichte Pyramide te
Zeist, die later bekend is geworden als Marmontsche Pyramide of Pyramide van
Austerlitz.
Het
kamp van Utrecht was in zijn tijd wel iets bijzonders.
Aldaar
kampeerde een Frans-Bataafs leger, bestaande uit 14 Franse en 8 Bataafse
bataljons in tenten, hetgeen door de superieuren van Generaal De Marmont die
dit idee had gelanceerd met de nodige twijfels was beoordeeld. Generaal De Marmont, die het bezwaarlijk
vond dat zijn troepen, die behoorden tot een leger dat een invasie moest
uitvoeren op de Engelse kust, verspreid gelegerd waren, zette zijn plannen door. Deze toen 29-jarige generaal liet in veertien
dagen tijd een enorme legerplaats inrichten over een oppervlakte van 240 ha.
Begin
juni 1804 arriveerden de verschillende troepenonderdelen, bestaande uit infanterie,
artillerie, rijdende artillerie, huzaren, jagers te paard, mineurs, sappeurs
en dragonders.
Na
enkele maanden van intensieve trainingen,
waarbij op zondagen oefeningen in groter verband werden gehouden, die
duizenden bezoekers trokken uit het hele land vond Generaal De Marmont dat de
teugels wel wat konden worden gevierd.
Generaal
De Marmont besloot zijn troepen aan het werk te houden door hen een monument te
laten bouwen. Teruggrijpend op zijn
verblijf in Egypte koos hij voor de pyramide-vorm, 150 voet lang en 75 voet
hoog met op de top een houten obelisk.
In
27 dagen tijd was het grondwerk, uitgevoerd door alle militairen van hoog tot
laag, gereed. Na nog eens 5 dagen was
de afwerking gereed,
zodat
op 12 oktober 1804 de Bataafse vlag kon worden gehesen op de top van de
obelisk, hetgeen met vele festiviteiten werd gevierd.
In
de winter van 1804-1805 werden in het kamp houten barakken gebouwd en
ontstonden er in de naaste omgeving drie kleine recreatiecentra te weten
Boisonville, Marmontville en Petitville. Dit geheel werd na de slag bij
Austerlitz (thans genoemd Slavkov) op 2 december 1805, waaraan ook de troepen
van Generaal De Marmont deelnamen in plaats van aan een invasie op de Engelse
kust, door Koning Lodewijk Napoleon verheven tot zelfstandige gemeente
Austerlitz bij decreet van 17 augustus 1806.
Op
23 oktober 1805 verklaren de leden van de raad van administratie van het 92e
Regiment Infanterie dat Jean Baptiste Le Petit door Generaal De Marmont als een
der bewakers van de pyramide is aangewezen.
Deze
aanwijzing leidt tot de veronderstelling, dat hij niet met de troepen van Generaal
De Marmont is meegetrokken naar Austerlitz en rustig is achtergebleven in de
hoeve Heyschoten te Woudenberg, samen met zijn Franse collega Louis Faivre en
zijn Bataafse collega Barend Philips.
Generaal
De Marmont keert niet terug met zijn troepen in het kamp van Utrecht. Dat doet wel de bevelhebber van de Bataafse
troepen, de Generaal Du Monceau in maart 1806.
De
bloeitijd van de legerplaats is evenwel voorbij. Een minimale bezetting blijft in het kamp en ondanks pogingen
van Lodewijk Napoleon om de door hem gestichte gemeente tot bloei te brengen
met goed bedoelde plannen, wordt er armoede geleden.
Uit
een rekest van vermoedelijk 1815 van Louis Faivre en Jean Lepetit aan de koning
blijkt dat hun bij hun benoeming tot bewakers beloofd was:
dertig
schapen,
een
koe,
een
paard,
een
kar en
een
rijtuig,
maar
dat zij in tegenstelling tot de Bataafse bewaker nooit iets hadden ontvangen,
behalve de "vivre de campagne", welke zij als soldaten tot 24
augustus 1807 kregen. Zij hebben nooit
ontslag gekregen en beschouwen zich nog als militairen. Zij verzoeken om recht!
Volgens
een verklaring van de burgemeester van Woudenberg, gedateerd 31 mei 1831, is
door hem wekelijks aan Jean Baptiste Le Petit als gardiaan van de Marmontsche
pyramide een som uitbetaald van vier gulden, dat wil zeggen gedurende
"zijn inwoning" tot in het jaar 1816.
Op 6
april 1816 gaan burgemeesteren van Zutphen akkoord met de inwoning van Jean Baptiste Roche met zijn vrouw en drie
kinderen, waarvan één naam helaas niet meer te achterhalen is namelijk het tweede
kind.
In
Zutphen oefent Jean Baptiste het beroep uit van winkelier. Opmerkelijk is, dat
hij ondanks de narigheden van het beleg van Genua de respectabele leeftijd van
ruim 76 jaar bereikt als hij op 24 oktober 1842 te Zutphen overlijdt. Zijn weduwe Geertruyda oefent na zijn dood
het beroep van baker uit.
Zij
overlijdt op 6 maart 1868 op 81-jarige leeftijd.
Een
opmerkelijke gebeurtenis, die niet zonder toelichting uit het schema valt te
reconstrueren en waarvan de beweegredenen niet meer te achterhalen zijn, is
het feit dat twee kleinzoons die beiden zijn geboren na het overlijden van hun
Franse grootvader, besluiten naar Frankrijk te gaan. De één keert na verloop
van tijd terug naar zijn geboorteplaats Zutphen, namelijk Jan Baptiste Petit
dit de la Roche. De ander, Evert
Antoon, blijft in Parijs, huwt een Française
(Jeanne -Marie le Tacon) en krijgt drie kinderen.
Evert
Antoon's zoon Jean Baptiste wist zich na de tweede wereldoorlog te herinneren
dat zijn vader op zijn sterfbed voortdurend Hollands sprak en zelf kende hij
ook enkele Hollandse woorden, zoals "spek, zwijn" en dergelijke. Dat
vertelde hij mij toen ik hem te Parijs bezocht in 1951.
Tijdens
de mobilisatie voor de eerste wereldoorlog kwam hij voor een keuze te staan,
toen hij een oproep kreeg voor dienstneming in het Franse leger in verband met
het feit dat hij in Frankrijk was geboren.
Hij heeft overwogen om zich te beroepen op Nederlanderschap omdat zijn
vader de Nederlandse nationaliteit bezat, maar heeft toch gekozen voor het
Franse leger. Hij maakte een gasaanval
mee, die hem van tijd tot tijd benauwdheden bezorgde, zodat hij elk jaar naar
Zuid-Frankrijk mocht om weer wat bij te komen. Ook hij heeft een hoge leeftijd
bereikt van rond de tachtig jaar.
Zijn
zuster Lucie woonde in Clichy bij Parijs en zijn zuster Louise, die in Kerity
Painpol woonde, droeg een echte
Bretonse kap. Ik heb beiden ontmoet.
Betreffende
de naam Petit dit de la Roche kan nog het volgende worden opgemerkt.
Met
de invoering van de burgerlijke stand in Nederland in 1811 heeft de
schrijfwijze als hierboven vermeld vaste voet pekregen. Zowel voor als na dat tijdstip zijn zeer
verschillende vormen genoteerd, zoals
Le Petty, Petit dit Roche, Petit
Laroche, Lepetit dit la Roche, Lepetit en Petit. De huidige vorm is duidelijk
in Nederland samengesteld, kennelijk op aanwijzing van hetgeen Jean Baptiste
aan namen heeft gepresenteerd.
We
moeten aannemen, dat het voorzetsel "de", dat een La Roche als plaats
van herkomst zou doen vermoeden, ten onrechte is bijgevoegd. In Frankrijk komt deze naam overigens niet
meer voor. Wel in Nederland en Zuid-Afrika.
De
voornaam Mathijs, die nog steeds in de familie gebruikt wordt, is afkomstig van
de vader van de Amersfoortse Geertruyda van den Brink, echtgenote van onze stamvader in Nederland.
Een
familiewapen is onbekend en naspeuringen betreffende de afkomst van Isaac Le
Petit (vader van Jean Baptiste) zullen vermoedelijk niet veel in die richting
opleveren.
Het
nog steeds voortlevend verhaal bij de Franse tak (thans Guillarmic te Kerity
Painpol) over de rol van ene Generaal Petit is op zichzelf wel juist, maar
heeft niets te maken met de eenvoudige fuselier Jean Baptiste Le Petit, die wel
in hoge mate verantwoordelijk is voor dit toch wel amusante verhaal.
ã
Herman Petit dit de la Roche